
Jurisprudentie
AR8518
Datum uitspraak2004-12-15
Datum gepubliceerd2004-12-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/425 WW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-12-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/425 WW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het in het bestreden besluit vervatte standpunt wordt niet langer gehandhaafd. Schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/425 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. M.J.B.R. Hermans, advocaat te Eindhoven, op daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch, nr. AWB 02/1037, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft meegedeeld het bestreden besluit van 7 november 2001 niet te handhaven en heeft op 8 december 2003 een nieuwe beslissing op bezwaar gegeven, welke in afschrift aan de Raad is toegezonden.
Bij brief van 22 januari 2004 is namens appellante gereageerd op het besluit van 8 december 2003.
Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend om de behandeling van het hoger beroep ter zitting achterwege te laten.
II. MOTIVERING
De Raad stelt vast dat gedaagde zijn in het bestreden besluit van 7 november 2001 vervatte standpunt niet langer handhaaft. De Raad zal derhalve dit besluit vernietigen evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten.
Appellantes verzoek om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop die rente dient te worden berekend, volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJNZB1495, JB 1995/314.
De Raad ziet aanleiding gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,-- en voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep van € 322,--, totaal derhalve € 966,--.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade als hiervoor in rubriek II is vermeld;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot
€ 966,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.
RW112

